Nihil Obstat

“’t Begint met liefde voor het volk. Lodewijk IV die trok zich tenminste geen zak van het brave volk aan, vergeet dat niet. Lodewijk XV ook niet. Hij veegde er zijn gat mee af. Natuurlijk was het leven in die tijd niet prettig , het leven van de arme sloeber is nooit prettig geweest, maar ze werden niet zo hardnekkig en verbeten om zeep geholpen als nu door onze tirannen. De kleine man, zeg ik je, wordt alleen met rust gelaten als hij wordt veracht door de groten, die uitsluitend uit eigenbelang of sadisme aan het volk kunnen denken… De filosofen, mag ik je daar nog op attent maken nu we ’t er toch over hebben, die zijn ermee begonnen  het brave volk van alles wijs te maken… Het volk dat alleen zijn catechismus kende! Ze zouden ’t wel opvoeden, beweerden ze… Nou! ze hadden heel wat waarheden te onthullen! Prachtige! Frisse! Schitterende! Je duizelde ervan! Zo is’t! begon het brave volk te zeggen, zo is’t precies! Zo is’t helemaal! Daar gaan we allemaal voor sterven! ’t Volk wil alleen maar sterven! Zo zijn de mensen nu eenmaal. ‘Leve Diderot!’ hebben ze gebruld en toen ‘bravo Voltaire!’ Dat zijn nog ’s filosofen! En ook nog leve Carnot, die zo mooi overwinningen in elkaar kon knutselen! En leve iedereen! Dat zijn tenminste knapen die ’t brave volk niet in onwetendheid en bijgeloof laten verrekken! Zij wijzen ’t de weg naar de vrijheid! Ze maken ’t zelfstandig! En ze hebben niet stilgezeten! Iedereen moet eerst de krant kunnen lezen! Dat is onze redding! Godverdomme! En snel! Geen analfabeten meer! Die kunnen we niet meer gebruiken! Alleen maar burgersoldaten! Die stemmen! Die lezen! En die vechten! En die marcheren! En kushandjes werpen! In dat tempo werd het volk gauw goed rijp. Het enthousiasme over het afwerpen van ’t juk moet toch ergens goed voor zijn, waar of niet? Danton stond niet voor Jan Lul zo mooi te praten. Met wat gebrul, dat zo raak was dat je ’t nu nog hoort, had hij in een handomdraai ’t brave volk gemobiliseerd En dat betekende het vertrek van de eerste bataljons geëmancipeerde bezetenen!”

Céline, L.-F. (2007). Reis naar het einde van de nacht, Amsterdam: Van Oorschot, pp. 74-75

“Ik zegde u reeds dat Dinaso moet worden de algehele en definitieve liquidatie van het hachelijkste moment dat wij in onze geschiedenis hebben beleefd, namelijk het flamingantisme. Voor diegenen die meenden de ogen te moeten openspalken van verwondering omdat ik het juist ben die zoiets zeg, voeg ik er nog bij: inderdaad, het flamingantisme heeft bij de Vlamingen ongeveer niets anders gekweekt dan een mentaliteit van ‘rouspeterende’ en totaal machteloze knechten.

[…]

In ieder geval, mijnheer van Severen, staan wij enigszins bedremmeld. We hadden gemeend u te spreken over een Vlaamse grieventrommel en nu zien we ineens dat ge ons doel op verbazingwekkende wijze hebt voorbijgeschoten.

Mijnheer Vidi, ik heb het land aan al de petieterige objectieven waarmee de meeste Vlaamse leiders schermen ten einde hun troepen een rad voor de ogen te draaien. Laat ze maar begaan. Dat is mijn zaak niet.

Toch wordt ge versleten voor een fanatiek flamingant en anders niets.

Terwijl men op dit ogenblik bezig is in de Europese kanselarijen nieuwe smeltkroezen op te bouwen, waaruit men wellicht heel binnenkort het materiaal zal tevoorschijn halen om […] een nieuwe wereld mee op te bouwen, spreekt men hier over detailkwesties, zoals […] de vervlaamsing van het gerecht. Ziet ge, dat is nu het gevolg van de knechtenmentaliteit. Wij zijn nog geen Europeeërs.”

Vidi (23 maart 1935). Wat is Verdinaso? Een vraaggesprek met de leider Joris Van Severen. De Dag.

“Rapallo is provinciaals, maar open naar de zee toe. De filosoof Friedrich Nietzsche heeft hier rondgestruind toen hij het idee opvatte niet over Empedokles (over wie hij de dichter Friedrich Hölderlin moet hebben gelezen), maar over Zarathoestra een heldenepos te schrijven. De dichter Ezra Pound, net als mijn grootvader getekend door wat de Eerste Wereldoorlog had aangericht, kwam hier wonen in 1924, een periode waarin zijn minnares Olga Rudge, zwanger raakte en het kind bij een voedster dropte, een Duitssprekende boerin. Pound zwierf rusteloos rond, kwam telkens naar Rapallo terug, schreef er aan zijn canto’s, terwijl hij op de Italiaanse radio foeterde over de usura, de woekerpraktijken van de joden, en zich aansloot bij Mussolini. Door de bemiddeling van Olga ontmoette hij de Italiaanse dictator zelfs persoonlijk, en probeerde zijn ideeën over de joodse woekereconomie aan de Duce te verkopen; die schijnt met een wegwuivend gebaar geantwoord te hebben dat The Cantos best ‘divertente’ waren, een fait divers dat Pound later zelfs met enige ironie in een van zijn canto’s verwerkte. Yeats schreef over astrologie in Rapallo; Kokoschka schilderde er een haast impressionistisch gezicht op de baai, en Joyce was er ooit op bezoek; Elmore Leonard situeerde zijn thriller Pronto in Rapallo.

Op 2 mei 1945, vier dagen na het publiekelijk lynchen van Mussolini, terwijl diens toegetakelde lijk naast dat van zijn minnares nog open en bloot als een geslachte os bij een tankstation in Milaan hing, werd de fascistische dichter uit zijn huis in het idyllische Rapallo gehaald door partizanen. Hij stopte een editie van Confucius en een Chinees woordenboek in zijn tas en werd afgevoerd. In een interview luttele dagen later beweerde hij dat Hitler een Jeanne d’Arc was geweest en de Duce een leider ‘who had lost his head’ – c’est le cas de le dire. Beschouwd als een genie dat tot waanzin was vervallen, werd hij in de buurt van Pisa in een roofdierkooi gestopt. Oud geworden en gelouterd, zich schamend om zijn antisemitische nonsens, zei hij, terug in Rapallo, tegen Allan Ginsberg: I was not a lunatic, I was a moron. Ik was geen gek, ik was een idioot.”

Hertmans, S. (2013). Oorlog en terpentijn, Amsterdam: De Bezige Bij, pp. 65-66